Fiscale gevolgen echtscheidingsconvenant

De Belastingdienst heeft een brochure gepubliceerd over fiscale gevolgen van een echtscheidingsconvenant. In de brochure wordt uitgebreid aandacht besteed aan de gevolgen met betrekking tot de voormalige gezamenlijke eigen woning.

Woongenot
Zodra een ex-partner de gezamenlijke eigen woning verlaat, terwijl de andere partner daar blijft wonen, geniet de blijver een periodieke uitkering in de vorm van het woongenot van het deel van de woning dat eigendom is van de ander. Het woongenot is ontvangen partneralimentatie, waarover belasting moet worden betaald. Voor de vertrokken ex-partner is het verstrekte woongenot aftrekbaar als betaalde partneralimentatie. De partneralimentatie is gelijk aan het eigenwoningforfait over de periode van verstrekking. Er is geen sprake van alimentatie wanneer de achterblijvende ex-partner een reële huur betaalt aan de vertrokken ex‑partner. Dat betekent geen belastingbetaling over het woongenot voor de achterblijver en geen aftrekpost voor de vertrekker.

Eigenwoningrente
Na een echtscheiding kan de eigenwoningrente alleen als partneralimentatie in aftrek worden gebracht als er een alimentatieplicht is. De alimentatieplicht kan blijken uit een rechterlijke uitspraak of een echtscheidingsconvenant. Om onduidelijkheden te voorkomen verdient het aanbeveling om in het convenant vast te leggen dat de eigenwoningrente, die een van de ex-partners voor de ander betaalt, partneralimentatie is. Het deel van de eigenwoningrente, dat de ene ex-partner betaalt als partneralimentatie voor de andere ex-partner, moet deze laatste aangeven als ontvangen partneralimentatie. Het is van belang om wat in het convenant is vastgelegd op die manier uit te voeren om recht te hebben op aftrek.

Nihilbeding
Een nihilbeding houdt in dat ex-partners hebben afgesproken om geen partneralimentatie aan elkaar te betalen. Een dergelijke afspraak verhindert de mogelijkheid om een deel van de betaalde eigenwoningrente aan te merken als partneralimentatie. Het nihilbeding heeft geen gevolgen voor het woongenot van het deel van de woning dat aan de vertrokken ex-partner toebehoort.

Beëindiging arbeidsovereenkomst bij AOW-gerechtigde leeftijd

In de cao voor het verzekeringsbedrijf is bepaald dat een arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen maar uiterlijk op de dag waarop de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Met die bepaling kan een arbeidsovereenkomst worden beëindigd voor de ingangsdatum van het ouderdomspensioen, wanneer die datum later valt dan de datum waarop de AOW-gerechtigde leeftijd wordt bereikt.

Wanneer de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd hoeft de werkgever geen transitievergoeding te betalen. Dat is bepaald in het Burgerlijk Wetboek. Volgens de Hoge Raad is deze bepaling niet in strijd is met Richtlijn 2000/78/EG. Deze Richtlijn geeft een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. Er is geen sprake van verboden leeftijdsdiscriminatie wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Recht op KIA voor maat in maatschap

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) kent een schijventarief. Sinds 1 januari 2010 geldt in de derde schijf een vast bedrag aan KIA zolang het investeringsbedrag tussen de onder- en de bovengrens ligt. In 2018 gaat het om een bedrag aan KIA van € 15.863 bij investeringen van meer dan € 56.642, maar niet meer dan € 104.891. Bij investeringen door samenwerkingsverbanden als maatschappen is het totaalbedrag van de investeringen bepalend voor de hoogte van de KIA. Het daarbij behorende bedrag van de KIA wordt verdeeld over de maten.

In een procedure bij de Hoge Raad is in geschil hoe de KIA moet worden berekend voor een ondernemer, die participeert in een maatschap, in het geval door de maatschap investeringen zijn gedaan en door de ondernemer een investering in het buitenvennootschappelijk vermogen is gedaan. De maatschap heeft in 2013 een bedrag van € 40.517 geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen. De ondernemer heeft daarnaast € 56.515 geïnvesteerd in buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. Alle investeringen kwalificeren voor KIA. In 2013 bedroeg de KIA € 15.470 bij investeringsbedragen van meer dan € 55.248, maar niet meer dan € 102.311.

Volgens de staatssecretaris van Financiën is het recht op KIA voor het totaal van de investeringen voor alle maten beperkt tot het vaste bedrag van € 15.470. Het hof verdeelde de investeringen van de maatschap over de maten en telde daar de investering in buitenvennootschappelijk vermogen bij. Daardoor had deze maat recht op het vaste bedrag aan KIA van € 15.470. Het hof merkte op dat de wetgever bij de wijziging van de systematiek van de KIA geen aangepaste rekenregel heeft gegeven, waardoor het systeem niet meer in alle gevallen sluitend is.

Volgens de A-G moet eerst het bedrag van de investeringen worden bepaald. Omdat de onderneming deel uitmaakt van een maatschap moeten de investeringen voor het samenwerkingsverband worden samengeteld. Bij het totaalbedrag aan investeringen van € 97.032 geldt een bedrag aan KIA van € 15.470. De vraag is vervolgens of de ondernemer recht heeft op de (volledige) KIA van € 15.470 of slechts op een deel, naar rato van zijn investering. De A-G meent dat, gezien de tekst van de Wet IB 2001 en gelet op het investeringsbedrag van de ondernemer zelf van € 63.268, de belanghebbende recht heeft op een KIA van € 15.470.

Geen eigenwoningschuld

Door een privépersoon, die geen ondernemer is, betaalde rente van schulden is alleen aftrekbaar als de schulden zijn aan te merken als eigenwoningschuld. Dat houdt in dat de schulden zijn aangegaan voor de aankoop, het onderhoud of de verbetering van de eigen woning. De bewijslast dat schulden met dit doel zijn aangegaan ligt bij de niet-ondernemer.

In het kader van de staking van zijn onderneming loste een voormalige ondernemer zijn schulden aan de bank gedeeltelijk af met een lening van een derde. De bank schold de resterende schuld kwijt. Destijds had de ondernemer als zekerheid aan de bank een recht van hypotheek gegeven op al zijn onroerende zaken, waaronder zijn woonhuis. De vraag was of de betaalde rente van de lening van de derde als eigenwoningrente aftrekbaar was van het inkomen uit werk en woning of dat de lening als schuld in box 3 viel.

Hoewel de woning al in het jaar 2000 naar het privévermogen was overgebracht, waren de schulden aan de bank tijdens het bestaan van de onderneming in hun geheel aan de onderneming toegerekend. De voormalige ondernemer slaagde er niet in om aannemelijk te maken dat de schulden aan de bank destijds (deels) waren aangegaan voor de aankoop, het onderhoud of de verbetering van de eigen woning. Volgens de inspecteur waren de schulden uitsluitend aangegaan ter financiering van de ondernemingsactiviteiten. De in het kader van de schuldsanering aangegane lening heeft dezelfde kwalificatie en is dus ook niet aangegaan ter verwerving van de woning. De schuld viel in box 3, zodat de rente niet aftrekbaar was.

Geen aanleiding voor verlaging AOW-leeftijd

Naar aanleiding van een artikel in het Financieel Dagblad zijn Kamervragen gesteld aan de minister van Sociale Zaken over de verhoging van de AOW-leeftijd. In het artikel wordt beschreven dat de AOW-leeftijd tot 2021 sneller stijgt dan de toename van de levensverwachting van 65-jarigen. Daarom zou volgens actuarissen de AOW-leeftijd pas vijf jaar later, dus in 2026 hoeven te stijgen naar 67 jaar. Volgens de minister is de geleidelijke verhoging naar 67 jaar bedoeld als inhaalslag voor de sinds de invoering van de AOW gestegen levensverwachting. Na 2021 is de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Om te voorkomen dat de AOW-leeftijd bij elke wijziging van de resterende levensverwachting moet worden aangepast, is in de wet opgenomen dat de AOW-leeftijd pas stijgt bij een stijging van de levensverwachting van meer dan drie maanden.

Volgens recente prognoses van het CBS stijgt de toekomstige levensverwachting minder snel dan eerder was geraamd. Het is echter nog te vroeg om te spreken van een trendbreuk in de stijgende lijn voor de levensverwachting, hoewel in het buitenland de levensverwachting ook minder snel stijgt. Het CBS gaat vooralsnog uit van een verdere stijging van de levensverwachting. De minder snelle stijging van de levensverwachting is geen aanleiding voor aanpassing van de AOW-leeftijd. Om onzekerheid te voorkomen wordt een eenmaal vastgestelde verhoogde AOW-leeftijd niet later gewijzigd. De aanpassing wordt vijf jaar van tevoren vastgelegd om meer zekerheid te bieden.

WOZ-waarde bedrijfsterrein met opslagtanks

Een procedure voor Hof Arnhem-Leeuwarden had betrekking op de WOZ-waarde van een bedrijfsterrein met opstallen en installaties. In geschil was of de op het terrein aanwezige opslagtanks roerende of onroerende zaken waren. Wanneer de tanks roerend zouden zijn, maakte de waarde van de tanks geen deel uit van de WOZ-waarde van het bedrijfsterrein. Onroerende zaken zijn grond en gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. Dat kan rechtstreeks maar ook door vereniging met andere gebouwen en werken. Volgens vaste jurisprudentie is een bouwwerk, dat naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, onroerend. Voor het antwoord op de vraag, of dat het geval is, is niet doorslaggevend dat het technisch mogelijk is om het bouwwerk te verplaatsen.

Het hof was van oordeel dat, gelet op de aard van het bedrijf en de inrichting van het terrein, de tanks voor meerdere jaren op dezelfde plaats zouden blijven staan. Bepalend daarvoor waren het aanwezige en gedeeltelijk vaste leidingnetwerk en de funderingen waarop en de betonnen putten waarin de tanks waren geplaatst. Het hof onderzocht vervolgens of de werktuigenvrijstelling van toepassing was op de tanks. Dat gold alleen voor de tot in de tanks aanwezige roerwerken. Die konden verwijderd worden uit de tank zonder schade aan de tank aan te brengen.

Geen ruime uitleg van concurrentiebeding

Bij de uitleg van een concurrentiebeding moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen, maar kan ook de betekenis die partijen aan het beding toekennen en wat zij ten aanzien daarvan van elkaar mogen verwachten, van belang zijn. Een concurrentiebeding beperkt het grondwettelijk recht op vrije arbeidskeuze. Dergelijke beperkingen moeten niet ruim worden uitgelegd. Eventuele onduidelijkheden in een concurrentiebeding mogen niet in het nadeel van de werknemer worden uitgelegd, maar zijn voor risico van de werkgever.

Een procedure in kort geding betrof de vraag of de indiensttreding bij een nieuwe werkgever werd verhinderd door het in de arbeidsovereenkomst met de oude werkgever opgenomen concurrentiebeding. Bij aanvang van het eerdere dienstverband is niet gesproken over het in het arbeidscontract opgenomen concurrentiebeding. De kantonrechter beperkte zich daarom tot een tekstuele uitleg van het concurrentiebeding. Uit de bewoordingen van het concurrentiebeding volgde dat het de werknemer verboden was om in dienst te treden of betrokken te zijn bij een onderneming die een zaak drijft gelijk of gelijksoortig aan die van de oude werkgever. De omschrijvingen van de bedrijfsactiviteiten van de oude en de nieuwe werkgever in het handelsregister verschilden van elkaar. De oude werkgever bouwde, onderhield en repareerde machines voor de cacao-industrie. De nieuwe werkgever verwerkte cacao. Het enkele feit dat beide ondernemingen met de cacao-industrie te maken hebben, betekende niet dat de ondernemingen gelijk of gelijksoortig waren. Het met de oude werkgever overeengekomen concurrentiebeding verhinderde indiensttreding bij de nieuwe werkgever daarom niet.

Bewijs van beperkt privégebruik auto

Wanneer door de werkgever een auto aan een werknemer ter beschikking wordt gesteld, gaat de wet ervan uit dat de auto ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld. Dat betekent dat er een bijtelling bij het inkomen moet plaatsvinden, tenzij blijkt dat op jaarbasis met de auto niet meer dan 500 privékilometers zijn gereden. Het bewijs kan worden geleverd met behulp van een rittenregistratie. Op verzoek geeft de Belastingdienst aan een werknemer een verklaring geen privégebruik af. Die verklaring ontslaat de werknemer niet van de bewijslast, maar ontslaat de werkgever wel van de verplichting om de bijtelling bij het loon van de werknemer te doen. In de Uitvoeringsregeling loonbelasting is aangegeven aan welke eisen een rittenregistratie moet voldoen om als bewijs te kunnen dienen. Het gaat om de volgende gegevens:

  1. merk, type en kenteken van de auto;
  2. periode van terbeschikkingstelling van de auto;
  3. per rit:
    a. datum;
    b. beginstand en eindstand van de kilometerteller;
    c. beginadres en eindadres;
    d. de gereden route, indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke; en
    e. het karakter (zakelijk of privé) van de rit.

Een rittenregistratie moet sluitend zijn en nauwkeurig worden bijgehouden. Garagenota’s van onderhoud en reparatie kunnen dienen als aanvullend bewijs, ter onderbouwing van de rittenregistratie.

De rechtbank Den Haag accepteerde een achteraf opgestelde rittenregistratie niet. Volgens de rechtbank was de rittenregistratie te onnauwkeurig om als overtuigend bewijs te kunnen dienen. De overgelegde registratie gaf geen volledig beeld van de gereden ritten, routes en afstanden. Ander bewijs dan de rittenregistratie had de werknemer niet. Zijn verklaring dat hij pertinent niet privé met de auto heeft gereden is geen bewijs, evenmin als de omstandigheid dat de werknemer ook een eigen auto had.

Naheffing parkeerbelasting

In een procedure over een naheffingsaanslag parkeerbelasting is weer eens duidelijk geworden dat geld niet altijd een rol speelt en dat principes geld kosten.

De naheffingsaanslag betrof een bedrag van € 63,50, waarvan € 2,60 parkeerbelasting voor een uur parkeren en € 60,90 kosten. De belanghebbende had € 1 aan parkeerbelasting betaald. De begintijd was volgens het parkeerkaartje 13.58 uur en de eindtijd was 14.21 uur. Parkeercontroleurs constateerden om 14.24 uur dat onvoldoende parkeerbelasting was betaald. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag met € 1 aan reeds betaalde parkeerbelasting verminderd. De betaalde belasting had betrekking op een periode die volledig viel binnen de periode waarover parkeerbelasting is nageheven. Volgens de rechtbank mag niet meer dan het niet betaalde bedrag worden nageheven.

De heffingsambtenaar ging tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep. Ook volgens Hof Arnhem-Leeuwarden kan alleen het niet betaalde deel van de parkeerbelasting worden nageheven. Reeds betaalde belasting kan met andere woorden niet in een naheffingsaanslag worden begrepen. Op grond van de Gemeentewet wordt een naheffingsaanslag parkeerbelasting berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan. Indien duidelijk is dat ten tijde van de constatering de periode waarover belasting is verschuldigd minder dan een uur bedraagt moet de nageheven belasting naar evenredigheid worden verlaagd.  Dat betekende in deze casus dat slechts over 26 minuten parkeerbelasting verschuldigd was. De belanghebbende had al voor 23 minuten parkeerbelasting betaald. Het na te heffen bedrag aan parkeerbelasting had beperkt moeten blijven tot € 0,13. Het hoger beroep van de heffingsambtenaar was ongegrond. Omdat de belanghebbende geen hoger beroep had ingesteld, was er geen aanleiding om de naheffingsaanslag verder te verminderen dan de rechtbank had gedaan. De heffingsambtenaar moest het griffierecht van € 501 betalen en aan de belanghebbende een proceskostenvergoeding van € 69,96 betalen.

Het hoger beroep tegen een vermindering van de naheffingsaanslag met € 1 kostte de gemeente alleen aan griffierecht en proceskostenvergoeding een bedrag van € 571.

Geen werk, geen loon

De voor de betaling van loon geldende hoofdregel luidt: geen arbeid, geen loon. Er zijn uitzonderingen op de hoofdregel. Een van deze uitzonderingen is dat de werknemer recht op loon heeft als hij zijn werk niet heeft verricht door een oorzaak die voor rekening van de werkgever komt. Een andere uitzondering is het recht op doorbetaling bij ziekte gedurende 104 weken. Deze laatste uitzondering geldt niet als de werknemer, hoewel hij daartoe in staat is, zonder goede reden weigert om passende arbeid te verrichten.

Een werknemer die op eigen initiatief als passend beoordeelde aangepaste werkzaamheden niet meer verrichtte, vorderde doorbetaling van loon. De kantonrechter moest beoordelen of de werknemer een deugdelijke grond had om de aangeboden arbeid te weigeren. De werknemer was medisch gezien in staat om bepaalde werkzaamheden te verrichten, maar werkte niet omdat sprake was van een arbeidsconflict. In een vergelijkbare situatie heeft de Hoge Raad in 2008 het arrest Mak/SGBO gewezen. Uit dat arrest volgt dat de werknemer, die zich beroept op een arbeidsconflict als reden om zijn werk niet te verrichten, met feiten en omstandigheden moet komen die tot het oordeel kunnen leiden dat van hem redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij zijn werkzaamheden zou verrichten.

De werknemer in deze procedure heeft niet aangevoerd dat en waarom, gelet op bepaalde arbeidsomstandigheden, van hem niet verglangd kon worden dat hij de passende werkzaamheden zou verrichten. De werknemer heeft de gestelde situatieve arbeidsongeschiktheid niet gekoppeld aan arbeidsomstandigheden, maar aan een als vervelend ervaren consult bij de bedrijfsarts. Dat is geen reden om de passende werkzaamheden niet te verrichten. De werknemer had zich moeten realiseren dat het besluit om deze werkzaamheden niet meer uit te voeren consequenties zou kunnen hebben voor de loondoorbetaling. De kantonrechter heeft de vordering tot uitbetaling van loon afgewezen.