Aanvragen subsidie praktijkleren

De subsidieregeling praktijkleren is bedoeld om werkgevers te stimuleren om praktijk- en werkleerplaatsen aan te bieden. De subsidie is een tegemoetkoming in de kosten die een werkgever maakt voor de begeleiding van een leerling of in de loon- en begeleidingskosten van een promovendus of technologisch ontwerper in opleiding (toio). De regeling geldt voor de volgende onderwijscategorieën:

  • vmbo (voor leerlingen die een leer-werktraject volgen in de basisberoepsgerichte leerweg);
  • mbo (beroepsbegeleidende leerweg (bbl));
  • hbo (duale of deeltijdopleiding in sectoren techniek, landbouw en natuurlijke omgeving);
  • promovendi;
  • toio’s (technologisch ontwerpers in opleiding).

Met ingang van het schooljaar 2017/2018 is de regeling uitgebreid en geldt deze ook voor leerwerkplaatsen voor het voortgezet speciaal onderwijs (vso), het praktijkonderwijs (pro) en de entreeopleiding in het voortgezet onderwijs. De uitbreiding geldt voor leerlingen in het laatste schooljaar van het vso in het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of in een leer-werktraject in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs, voor leerlingen in het laatste schooljaar van het pro en voor leerlingen die een entreeopleiding volgen die wordt verzorgd als beroepsbegeleidende leerweg.

Aanvragen
Voor het schooljaar 2017/2018 kan de aanvraag worden ingediend tot uiterlijk 17 september 2018 om 17.00 uur. Het schooljaar 2017/2018 liep van 1 augustus 2017 tot en met 31 juli 2018. De aanvraag gaat digitaal via het eLoket van RVO.nl.
De subsidie bedraagt maximaal € 2.700 per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats. Bij overschrijding van het beschikbare subsidiebudget per onderwijscategorie wordt het budget evenredig over de ingediende aanvragen in die categorie verdeeld.

Ongeoorloofde afwezigheid reden voor ontslag

In beginsel kan een werkgever de arbeidsovereenkomst met een werknemer niet rechtsgeldig opzeggen zonder diens schriftelijke instemming. Uitzondering op deze regel is een ontslag op staande voet. Daarvoor moet een dringende reden bestaan. De werkgever dient een ontslag op staande voet onder opgave van de dringende reden onverwijld mee te delen aan de werknemer.

Naar het oordeel van de kantonrechter vormt het zonder toestemming van de werkgever op vakantie gaan tijdens re-integratie een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Het Burgerlijk Wetboek noemt als uitgangspunt dat de werkgever de tijdstippen van begin en einde van vakantie vaststelt volgens de wensen van de werknemer, tenzij er gewichtige redenen zijn om daarvan af te wijken. De werkgever moet die gewichtige redenen binnen twee weken nadat de werknemer zijn wensen schriftelijk heeft kenbaar gemaakt, schriftelijk aan de werknemer hebben meegedeeld. Doet de werkgever dat niet, dan is de vakantie vastgesteld overeenkomstig de wensen van de werknemer. In dit geval betrof het een werknemer die na 1,5 jaar ziekte weer benutbare mogelijkheden had en op korte termijn kon starten met passend werk. De afspraken daarover waren al gemaakt en vormden de reden voor de werkgever om het verzoek om vakantie van de werknemer af te wijzen.

Bij schending van de re-integratieverplichtingen door een werknemer staan de werkgever andere sanctiemiddelen dan ontslag op staande voet ten dienste, zoals het niet betalen van loon. Wanneer een werknemer passende arbeid weigert, leidt dat niet tot ontslag op staande voet. In dit geval was geen sprake van het weigeren van passende arbeid, maar van het ongeoorloofd afwezig zijn. Dat levert een dringende reden voor ontslag op, omdat de werkgever erop moet kunnen vertrouwen dat een werknemer zich houdt aan gemaakte afspraken. Dit geldt ook als de werknemer arbeidsongeschikt is.

Subsidie duurzame energie zorginstellingen

Zorginstellingen kunnen subsidie krijgen voor energiebesparende maatregelen en voor het opwekken van duurzame energie. De subsidie bedraagt maximaal 15% van de totale kosten van de subsidiabele activiteiten. De regeling is bedoeld voor zorginstellingen die geen gebruik kunnen maken van de energie-investeringsaftrek. Maatregelen waarvoor subsidie kan worden verkregen zijn onder meer:

  • het aanbrengen van ledverlichting;
  • ventilatie en verwarming met warmteterugwinning of warmtepomp;
  • verwarming van water met een warmtepompboiler en het terugwinnen van warmte uit douchewater;
  • het toepassen van wand-, vloer- en dakisolatie en het aanbrengen van isolerend glas;
  • energieopwekking door zon en biomassa.

Een zorginstelling kan in één aanvraag subsidie aanvragen voor verschillende vestigingen en voor verschillende maatregelen. Per vestiging van een zorginstelling kan slechts één keer subsidie worden verkregen. De instelling kan meerdere aanvragen indienen.
Het totaal van de aangevraagde subsidie en vanaf 2016 door de zorginstelling verkregen andere overheidssteun mag niet hoger zijn dan € 200.000.

Aan toekenning van de subsidie zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • De offerte voor de subsidiabele maatregelen is niet eerder dan 1 maart 2018 afgegeven.
  • De facturen moeten in 2018 worden betaald. Wel mogen de werkzaamheden later worden uitgevoerd.
  • De ondergrens voor een subsidieaanvraag is € 10.000. Per zorginstelling kan maximaal € 100.000 subsidie worden aangevraagd.
  • De aanvragen moeten voor 1 september 2018 zijn ingediend.

Daarnaast kan een zorginstelling eenmalig € 5.000 subsidie aanvragen voor activiteiten die betrekking hebben op een keurmerk voor verduurzaming.

 

Afschrijvingsbeperking bedrijfsgebouw

Bij de bepaling van de winst uit onderneming moet rekening gehouden worden met een beperking van de mogelijkheid om af te schrijven op de waarde van een bedrijfsgebouw. Afschrijving in een kalenderjaar is slechts mogelijk als de boekwaarde van het gebouw hoger is dan de bodemwaarde daarvan. De afschrijving kan niet hoger zijn dan het verschil tussen boek- en bodemwaarde van het gebouw. De bodemwaarde voor een gebouw in eigen gebruik bij de ondernemer is 50% van de WOZ-waarde. De ondergrond en aanhorigheden worden tot het gebouw gerekend. Kenmerk van aanhorigheden is dat ze bij het gebouw behoren en dienstbaar aan het gebouw zijn. Fysieke verbondenheid tussen gebouw en aanhorigheid is niet vereist.

Een procedure van de rechtbank spitste zich toe op de vraag welk criterium geldt voor het bepalen of een bouwwerk een aanhorigheid is. De inspecteur hanteerde als criterium: behoort bij een gebouw, is in gebruik bij het gebouw en is daaraan dienstbaar. De belanghebbende meende dat als criterium gold dat een bouwwerk onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar is aan een gebouw.

Volgens de rechtbank heeft de wetgever met de afschrijvingsbeperking voor bedrijfsgebouwen voor het begrip aanhorigheid willen aansluiten bij de invulling van dat begrip voor de eigenwoningregeling. Uit de jurisprudentie voor de eigenwoningregeling volgt dat de inspecteur het juiste criterium heeft gehanteerd. Wel moet bij de toepassing van het criterium rekening worden gehouden met de verschillen tussen een eigen woning en een bedrijfsgebouw.

De procedure had betrekking op een agrarisch bedrijf. De uitkomst was dat de mestsilo, het strooiselhok en de plaat/sleufsilo’s gelet op hun ligging en functie aanhorigheden van de bedrijfsgebouwen waren. Dat gold ook voor de erfverharding.

 

Geen aftrek voorbelasting business seats

Ondernemers hebben in beginsel recht op aftrek van de omzetbelasting die andere ondernemers voor leveringen en diensten in rekening hebben gebracht. Niet alle in rekening gebrachte omzetbelasting is aftrekbaar. Het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA) beperkt de aftrek van voorbelasting in een aantal specifieke gevallen. De aftrek is uitgesloten voor relatiegeschenken aan personen of ondernemingen die zelf geen of een beperkt recht op aftrek van voorbelasting hebben, zoals overheden en btw-vrijgestelde ondernemers. Ook is de aftrek uitgesloten voor allerlei diensten aan het personeel, zoals het uitkeren van loon in natura en het geven van gelegenheid tot sport, ontspanning of privévervoer van personeelsleden.

De bewijslast dat het BUA van toepassing is en in rekening gebrachte omzetbelasting dus niet aftrekbaar is, ligt bij de Belastingdienst. Dat ontslaat de ondernemer niet van de plicht om in voorkomende gevallen het ongelijk van de inspecteur te kunnen bewijzen. Het is de ondernemer die aanspraak maakt op aftrek van voorbelasting. Wanneer de inspecteur deze aanspraak betwist, zal de ondernemer met de benodigde gegevens moeten komen om zijn standpunt te onderbouwen.

Een voorbeeld waarin het bewijsrechtelijk misging is de volgende casus. Een ondernemer huurde business seats bij een voetbalclub en nodigde zakenrelaties uit om met hem of een van zijn personeelsleden wedstrijden te bekijken. De voor de huur van de zitplaatsen in rekening gebrachte omzetbelasting bracht de ondernemer volledig in aftrek. De Belastingdienst corrigeerde de aftrek van voorbelasting met een naheffingsaanslag omzetbelasting, gebaseerd op twee gronden van het BUA. Ten eerste betrof het de uitsluiting van aftrek voor relatiegeschenken en ten tweede de verlening van diensten aan het personeel. Bezien vanuit de modale consument overheerst bij de terbeschikkingstelling van business seats aan personeelsleden hun persoonlijke belang.

De ondernemer had geen gegevens bijgehouden van welke zakenrelaties hij wanneer had meegenomen om wedstrijden te bezoeken. Het niet bijhouden van deze gegevens kwam de ondernemer duur te staan. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de meegenomen zakenrelaties zelf geen recht op aftrek van voorbelasting zouden hebben gehad indien rechtstreeks aan hen zou zijn gefactureerd. Door geen gegevens te kunnen verstrekken, had de ondernemer de stelling van de inspecteur onvoldoende gemotiveerd betwist en had de inspecteur aan zijn bewijslast, dat het BUA van toepassing is, voldaan.

Ten aanzien van het gebruik van de business seats door personeelsleden heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat het bezoeken van een recreatief evenement als een sportwedstrijd in het algemeen een persoonlijke keuze is. Dat geldt ook voor werknemers die op kosten van de werkgever wedstrijden in een voetbalstadion kunnen bijwonen. Wanneer een ondernemer zijn personeel daartoe in de gelegenheid stelt, is het vermoeden gerechtvaardigd dat dit hun privédoeleinden dient. In die gevallen is het BUA van toepassing. De ondernemer kan dit vermoeden ontzenuwen, door aannemelijk te maken dat het bijwonen van het evenement plaatsvond met (potentiële) zakenrelaties. Het BUA is dan niet van toepassing omdat het zakelijke belang overheersend is. Het eventuele persoonlijke voordeel voor de werknemers is dan van bijkomstige aard. Beslissend is met welk doel de ondernemer zijn personeel een evenement laat bijwonen en niet de persoonlijke beleving van het personeel.

Bezwaarschriften 2017 box 3 aangemerkt als massaal bezwaar

Wanneer de Belastingdienst geconfronteerd wordt met een groot aantal bezwaren die betrekking hebben op dezelfde rechtsvraag kan de procedure voor massaal bezwaar worden gebruikt. Met deze procedure worden alle bezwaarschriften met hetzelfde geschilpunt collectief afgedaan. Geschilpunten die niet de in de aanwijzing massaal bezwaar geformuleerde rechtsvraag betreffen, worden niet collectief afgedaan.

De Bond voor Belastingbetalers heeft mensen opgeroepen om bezwaar te maken tegen de vermogensrendementsheffing 2017. De staatssecretaris verwacht dat veel mensen aan deze oproep gehoor zullen geven en heeft deze bezwaarschriften daarom aangewezen als massaal bezwaar. Vanaf het tweede kwartaal 2014 tot en met het eerste kwartaal 2018 zijn ongeveer 30.000 bezwaarschriften ingediend die betrekking hebben op de belastingheffing in box 3 in de jaren tot en met 2016. Ongeveer 18.500 bezwaarschriften zijn aangehouden in verband met de lopende procedure massaal bezwaar. Omdat de systematiek van de vermogensrendementsheffing per 1 januari 2017 is aangepast, is de uitkomst van de lopende procedures over de jaren tot en met 2016 niet beslissend voor de bezwaren tegen aanslagen inkomstenbelasting voor de belastingjaren 2017 en later.

In antwoord op vragen uit de Tweede Kamer antwoordt de staatssecretaris dat wijzigingen in de vermogensrendementsheffing eenvoudig zijn door te voeren voor zover het gaat om bedragen en percentages. Een stelselwijziging is ingrijpender en vraagt dus meer tijd.

Compensatieregeling transitievergoeding langdurige arbeidsongeschiktheid

De wet, die regelt dat het UWV bij beëindiging van een dienstbetrekking met een langdurig arbeidsongeschikte werknemer aan de werkgever een compensatie voor de transitievergoeding betaalt, is in het Staatsblad geplaatst.

Werkgevers die voor compensatie van betaalde transitievergoeding in aanmerking komen, kunnen op grond van deze wet een verzoek indienen bij het UWV. Het bedrag van de compensatie is gelijk aan de betaalde transitievergoeding, vermeerderd met de kosten van genomen maatregelen ter voorkoming van werkloosheid of het bekorten van de periode daarvan en de kosten, die tijdens het dienstverband zijn gemaakt om de inzetbaarheid van de werknemer te verhogen. Dergelijke kosten mogen in mindering gebracht worden op de transitievergoeding. De compensatie wordt berekend alsof de arbeidsovereenkomst is geëindigd op de dag na het verstrijken van het tijdvak waarin de werkgever verplicht is tot loondoorbetaling. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal in een besluit nadere regels geven over de aanvraag en verstrekking van de compensatie voor de transitievergoeding.

De wet treedt op 1 januari 2020 in werking.

Toepassing verleggingsregeling

Volgens de Wet op de omzetbelasting is de ondernemer die een levering of dienst verricht in beginsel degene van wie de belasting wordt geheven. In een aantal gevallen geldt een verleggingsregeling en wordt de omzetbelasting geheven van de afnemer van de levering of de dienst. Een van de gevallen waarin een verleggingsregeling van toepassing is heeft betrekking op de levering van een als zekerheid dienende onroerende zaak aan een ondernemer tot executie van die zekerheid. Deze regeling is ingevoerd om te voorkomen dat de verschuldigde omzetbelasting niet aan de Belastingdienst wordt betaald, terwijl de afnemer de omzetbelasting wel in aftrek kan brengen.

Volgens de Hoge Raad geldt deze verleggingsregeling ook wanneer de hypotheeknemer niet overgaat tot executie, maar een regeling met de hypotheekgever treft op grond waarvan de onroerende zaak onderhands wordt verkocht en met de opbrengst de schuld aan de hypotheeknemer wordt afgelost. Zonder toepassing van de verleggingsregeling zou de hypotheeknemer verhaal kunnen zoeken op door de hypotheekgever verschuldigde omzetbelasting, waardoor deze niet aan de Belastingdienst zou worden betaald, terwijl de koper die omzetbelasting wel in aftrek kan brengen. Degene, die een beroep doet op toepassing van de verleggingsregeling, moet de feiten stellen en bij betwisting aannemelijk maken dat aan de voorwaarden is voldaan.

Omkering en verzwaring bewijslast vervallen niet door overlijden

Wanneer een belastingplichtige niet op tijd of onvolledig aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan, kan dat leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat houdt in dat de belastingplichtige overtuigend moet bewijzen dat en in hoeverre de opgelegde aanslag niet juist is.

De Belastingdienst legde naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek aan een inmiddels overleden belastingplichtige navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2007 tot en met 2009 op en legde een aanslag voor het jaar 2010 op met correctie van het aangegeven inkomen. In de procedure over de aanslagen oordeelde het hof dat de bewijslast omgekeerd en verzwaard moest worden. Redengevend daarvoor was dat de aangifte 2009 niet binnen de daarvoor gestelde termijn was gedaan en dat voor de jaren 2007, 2008 en 2010 niet de vereiste aangiften waren gedaan omdat de inkomsten uit de handel in softdrugs niet waren opgenomen in de aangiften. De erfgenamen voerden in cassatie tegen de uitspraak van het hof aan, dat de omkering en de verzwaring van de bewijslast sancties zijn met een persoonlijk karakter, die vervallen op het moment van overlijden.

De Hoge Raad volgt dit betoog niet. Het gaat om een bestuursrechtelijke maatregel die bedoeld is om het doen van juiste en volledige aangiften te bevorderen. Wanneer de vereiste aangifte niet is gedaan is het doel niet bereikt. Noch de tekst van de wet, noch de strekking van de maatregel verzet zich ertegen dat de bewijsrechtelijke gevolgen van de maatregel ook na het overlijden van de aangifteplichtige van toepassing blijven. Een tweede doel van de omkering en verzwaring van de bewijslast is de vermindering van de bewijsproblemen van de inspecteur indien iemand niet aan de verplichting om informatie te verstrekken of een administratie te voeren voldoet. Dergelijke bewijsproblemen nemen door het overlijden van de betrokkene niet af.

Na inbreng onderneming in bv is er geen keuzevermogen

Om te voorkomen dat door een onjuiste vaststelling van het eindvermogen van een onderneming over het voorafgaande jaar een deel van de bedrijfswinst onbelast blijft of dubbel wordt belast, is in de rechtspraak de foutenleer ontwikkeld. Met behulp van de foutenleer kan een balansfout worden hersteld in het oudste jaar waarvan de belastingaanslag nog niet definitief vaststaat.

De rechtbank Gelderland is van oordeel dat de foutenleer niet kan worden toegepast om een onjuiste vermogensetikettering binnen een IB-onderneming ongedaan te maken nadat de onderneming is ingebracht in een bv. Volgens de Wet Vpb wordt een bv geacht haar onderneming te drijven met behulp van haar gehele vermogen. Dat betekent dat al het vermogen van een bv ondernemingsvermogen vormt. Anders dan bij een IB-onderneming is bij een bv geen sprake van keuzevermogen, waarbij de ondernemer binnen de grenzen der redelijkheid kan bepalen of een vermogensbestanddeel tot zijn ondernemingsvermogen behoort of tot zijn privévermogen. Het leerstuk van de vermogensetikettering is kenmerkend voor de inkomstenbelasting en eindigt op het moment dat de onderneming wordt ingebracht in een bv. Omdat er geen sprake is van keuzevermogen in de bv kan de balans van de bv geen fout door een onjuiste keuze bevatten. Dat betekent dat de foutenleer niet kan worden toegepast.