Vrijstelling sollicitatieplicht oudere werklozen

Om recht te hebben op een WW-uitkering is een werkloze verplicht om te solliciteren. Er geldt een vrijstelling van de sollicitatieplicht voor uitkeringsgerechtigden die op de eerste dag van hun werkloosheid minder dan één jaar van het recht op AOW-pensioen zijn verwijderd. Deze vrijstelling geldt nu ook voor werklozen, die tijdens de duur van hun WW-uitkering deze leeftijd bereiken. De vrijstelling gaat ook gelden voor mensen die een IOW-, ZW- of WGA-uitkering ontvangen. Hoewel de sollicitatieplicht ook voor ouderen tot meer werkhervatting leidt, is het effect van de uitbreiding van de vrijstelling beperkt.

Dijkpercelen in het GLB en de Meststoffenwet

Dijken (waterkeringen) tellen niet zonder meer mee voor de Meststoffenwet en de uitbetaling van betalingsrechten. Vanaf dit jaar tellen primaire waterkeringen niet meer volledig mee voor de Meststoffenwet.

Primaire waterkeringen
Primaire waterkeringen zijn zeedijken en dijken langs grote waterwegen en meren. De hoofdfunctie is waterkering en geen landbouw. De beschikkingsmacht en het exclusieve gebruiksrecht liggen bij Rijkswaterstaat. De primaire waterkering is daarom (natuurlijk) grasland met hoofdfunctie natuur (gewascode 336 in Gecombineerde opgave). Of er sprake is van een primaire waterkering kan men zien op de websitehttps://waterveiligheidsportaal.nl.

Niet-primaire waterkeringen
Niet-primaire waterkeringen kan men wel blijven gebruiken voor de uitbetaling van de betalingsrechten en de Meststoffenwet, mits verder aan de voorwaarden wordt voldaan. Deze kan men opgeven met gewascode 265 (blijvend grasland).

Primaire waterkeringen en uitbetaling betalingsrechten
Primaire waterkeringen zijn wel subsidiabel wanneer men de dijken feitelijk in gebruik heeft en er landbouwactiviteiten worden uitgevoerd.

Primaire waterkeringen en de Meststoffenwet
Voor de Meststoffenwet moet de hoofdfunctie van de grond ‘landbouw’ zijn en men moet de feitelijke beschikkingsmacht en het exclusieve gebruiksrecht hebben. Primaire waterkeringen tellen daarom niet mee voor de gebruiksnormen en derogatie (80%-graslandeis). Wel tellen ze mee voor de grondgebondenheid en de mestverwerkingsplicht.

Wanneer er mest wordt aangewend op de primaire waterkeringen, zal in alle gevallen een vervoersbewijs dierlijke meststoffen opgemaakt moeten worden. Worden de primaire waterkeringen beweid, dan is er sprake van uitscharen. Voor de gebruiksnormenberekening zal men dan het aantal uitgeschaarde dieren en de uitschaarduur moeten vastleggen in de administratie, zodat de mestproductie tijdens het uitscharen buiten de berekening kan worden gehouden. Op deze percelen mag maximaal 70 kg fosfaat en 170 kg stikstof per hectare per jaar aangewend worden, tenzij er in de pachtovereenkomst een lagere norm is overeengekomen.

Fosfaatrechten komen toe aan opfokker

De rechtbank heeft onlangs in een zaak tussen een melkveehouder en jongvee-opfokker geoordeeld dat de fosfaatrechten geheel toekomen aan de opfokker. De melkveehouder had zijn jongvee tussen maart 2015 en maart 2017 laten opfokken door de jongvee-opfokker. Daarna beëindigde hij de opfokovereenkomst. De melkveehouder vroeg de opfokker mee te werken aan het indienen van het formulier ‘In- en uitscharen’ teneinde het aan hem toegekende aantal fosfaatrechten te laten verhogen met de rechten voor de bij de opfokker gestalde dieren op 2 juli 2015. De opfokker weigerde dit.

De voorzieningenrechter stelde vast dat het feitelijk houderschap en niet de eigendomssituatie (op 2 juli 2015) doorslaggevend is voor de toekenning van de fosfaatrechten. Dit betekende dat de fosfaatrechten voor het uitgeschaarde vee in beginsel bij de opfokker berusten. De opfokker heeft niet onrechtmatig gehandeld door geen instemming te geven aan het formulier. Daarbij is redengevend dat het gedurende circa twee jaar opfokken van jongvee verder lijkt te gaan dan alleen het in- en uitscharen van vee, gelet op de duur en intensiteit.

Ook hebben opfokkers behoefte aan en recht op fosfaatrechten. Zonder die rechten kan hun bedrijf niet bestaan. De melkveehouder was ook na afloop van de overeenkomst zijn jongvee niet zelf gaan opfokken, maar had daarvoor een ander gevonden. De melkveehouder had de rechten van de opfokker dan ook niet nodig om zijn bedrijf en de omvang daarvan, zoals die was op 2 juli 2015, te borgen.

Dienstverlening kinderopvangtoeslag moet verbeteren

De kinderopvangtoeslag wordt aanvankelijk als voorschot vastgesteld en uitbetaald. Ouders moeten zelf hun inkomen en het aantal uren opvang dat zij afnemen schatten. Deze schatting bepaalt de hoogte van het voorschot. Pas wanneer de werkelijke inkomensgegevens van ouders bekend zijn wordt de hoogte van de kinderopvangtoeslag definitief vastgesteld. Blijkt het voorschot te hoog te zijn, dan wordt het verschil teruggevorderd. Dat leidt bij een deel van ouders tot financiële problemen, met name bij ouders met lage en wisselende inkomens.

Om dergelijke problemen te voorkomen was aanvankelijk bedacht om de toeslag niet meer door de Belastingdienst maar door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) uit te laten betalen. Het daartoe aangekondigde wetsvoorstel gaat echter niet door. In plaats daarvan kiest het kabinet voor verbetering van de dienstverlening van de Belastingdienst. Door verbetering van de werkwijze van de Belastingdienst kunnen de negatieve effecten van de voorschotsystematiek worden verzacht. Dat moet ertoe leiden dat minder ouders hoge bedragen moeten terugbetalen. Het kabinet verwacht dat de ervaringen met de verbeteringen rond de kinderopvangtoeslag kunnen helpen bij het verbeteren van het systeem rond andere toeslagen.

Kabinetsreactie evaluatie 30%-regeling

De Wet op de loonbelasting biedt de mogelijkheid om de extra kosten die werknemers in het kader van hun dienstbetrekking maken voor tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst, de zogenaamde extraterritoriale kosten, onbelast te vergoeden. In plaats van vergoeding van de werkelijke kosten kan ervoor gekozen worden om een forfaitaire onbelaste vergoeding te geven van maximaal 30% van het loon inclusief vergoeding. Deze regeling staat bekend als de 30%-regeling. De regeling is op gezamenlijk verzoek van werkgever en werknemer van toepassing gedurende maximaal acht jaar. De 30%-regeling kent drie doelstellingen:

  1. het aantrekken van werknemers uit het buitenland met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is;
  2. het leveren van een bijdrage aan het aantrekkelijk en competitief houden van het Nederlandse vestigingsklimaat;
  3. het verminderen van de administratieve lasten voor werkgevers en werknemers.

In opdracht van het ministerie van Financiën is in 2017 onderzoek gedaan naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de 30%-regeling. Uit de evaluatie blijkt dat verkorting van de looptijd tot vijf jaar zorgt voor een hogere doelmatigheid terwijl de doeltreffendheid nauwelijks wordt beperkt. Het kabinet heeft de aanbeveling tot verkorting van de looptijd overgenomen.

Alleen werknemers die op meer dan 150 kilometer van de Nederlandse grens wonen voordat zij in Nederland gaan werken, komen in aanmerking voor de 30%-regeling. Uit de evaluatie blijkt dat werknemers uit naburige landen door de regeling vaak een overcompensatie krijgen omdat ze relatief lage reiskosten en geen hogere kosten van levensonderhoud hebben. Het kabinet neemt de aanbeveling om de 150 kilometergrens te verhogen niet over, gezien de weerstand daartegen en het arbitraire karakter van iedere grens.

Vooral bij hogere inkomens bestaat een groot verschil tussen de werkelijke extraterritoriale kosten en de forfaitaire vergoeding volgens de 30%-regeling. Een verlaging van het forfait voor hogere inkomens zou leiden tot een beter passende vergoeding. Dat zou kunnen door de 30%-regeling te beperken tot het vaste loon, de onbelaste vergoeding te maximeren of de grondslag voor het forfait te maximeren. Omdat uit de evaluatie blijkt dat de kracht van de 30%-regeling voor een belangrijk deel zit in de eenvoud van de regeling, kiest het kabinet ervoor om de vergoeding niet op een of andere wijze af te toppen.

Uit het buitenland afkomstige werknemer die gebruik maken van de 30%-regeling, maken ook vaak gebruik van de keuzeregeling voor partiële buitenlandse belastingplicht. Die keuzeregeling geldt eveneens voor maximaal acht jaar. Omdat volgens het kabinet na een verblijf in Nederland van vijf jaar geen sprake meer is van tijdelijk verblijf, heeft het kabinet het voornemen om de periode, waarin de keuzeregeling voor partiële buitenlandse belastingplicht van toepassing is, met drie jaar te verkorten tot maximaal vijf jaar.

Aanpassing 30%-regeling aangekondigd

Voor uit het buitenland afkomstige werknemers geldt onder voorwaarden een gunstige fiscale regeling. Deze zogenaamde 30%-regeling houdt in dat werkgevers tot 30% van de bruto beloning als een belastingvrije vergoeding kunnen betalen aan buitenlandse werknemers. De vergoeding is bedoeld voor de extra kosten die dergelijke werknemers maken in verband met hun tijdelijke verblijf in Nederland.

Het kabinet wil deze regeling per 1 januari 2019 verkorten van acht naar vijf jaar. De verkorting gaat gelden zowel voor nieuwe als voor bestaande gevallen. De voorgenomen aanpassing van de regeling is een gevolg van een in 2017 uitgevoerde evaluatie van de 30%-regeling. Hieruit bleek dat circa 80% van de werknemers de regeling niet langer gebruikt dan vijf jaar. Een substantieel deel van de overige gebruikers van de regeling blijkt zich langdurig in Nederland te vestigen. Het wetsvoorstel met de aanpassing zal, als onderdeel van het Belastingplan 2019, op Prinsjesdag worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

Vergoeding reiskosten aan mantelzorgers

Onder voorwaarden zijn uitgaven voor specifieke zorgkosten aftrekbaar. In de Wet IB 2001 wordt omschreven welke categorieën van uitgaven aftrekbaar kunnen zijn. Het gaat onder meer om de kosten van extra gezinshulp. Voor aftrekbaarheid is vereist dat de uitgaven voor de gezinshulp meer bedragen dan een percentage van het zogenaamde verzamelinkomen voor de toepassing van de persoonsgebonden aftrek. Verder is vereist dat er aan de hand van gedagtekende facturen kan worden aangetoond dat er uitgaven voor gezinshulp zijn gedaan. Ook reiskosten kunnen aftrekbaar zijn als zorgkosten. De reiskosten moeten dan zijn gemaakt voor het vervoer van een zieke voor het ondergaan van een medische behandeling.

In een procedure was de vraag aan de orde of iemand recht had op aftrek van de vergoedingen die hij betaalde aan twee van zijn kinderen die de mantelzorg voor hun rekening namen. Naar het oordeel van zowel de rechtbank als het gerechtshof waren deze uitgaven niet aftrekbaar. Wegens het ontbreken van facturen waaruit bleek dat uitgaven voor gezinshulp waren gedaan was niet aan de vereisten voor aftrek voldaan. Op de zitting was duidelijk geworden dat de uitgaven een vergoeding voor reiskosten van de mantelzorgers vormden. Ook om die reden konden de uitgaven niet als specifieke zorgkosten in aftrek worden gebracht, aangezien de reiskosten geen betrekking hadden op het vervoer van een zieke.

Overgangsregeling spoedreparatie regime fiscale eenheid

Er komt een overgangsmaatregel bij de spoedreparatie van het regime van de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting. Dat heeft de staatssecretaris aangekondigd in antwoord op Kamervragen. Deze overgangsmaatregel moet de scherpste randjes van de aangekondigde reparatiemaatregelen halen. Doelstelling van de overgangsbepaling is te bewerkstelligen dat de reparatie van de renteaftrekbeperking tot en met 31 december 2018 niet van toepassing is op renten, kosten en valutaresultaten die betrekking hebben op een op 25 oktober 2017 om 11.00 uur bestaande schuld aan een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijke persoon. De schuld moet verband houden met één van de volgende rechtshandelingen:

  • een winstuitdeling of een teruggaaf van gestort kapitaal aan een verbonden lichaam of natuurlijke persoon;
  • een kapitaalstorting in een verbonden lichaam;
  • de verwerving of uitbreiding van een belang in een lichaam dat daardoor een verbonden lichaam wordt.

Ook de rechtshandeling moet vóór 25 oktober 2017 zijn verricht. Het totale rentebedrag mag per twaalf maanden niet meer dan € 100.000 zijn. Wanneer de rente hoger is dan € 100.000 per twaalf maanden, dan is de overgangsmaatregel niet van toepassing. Dat betekent dat de renteaftrekbeperking wordt toegepast op het volledige bedrag aan rente aan verbonden personen of lichamen alsof er geen fiscale eenheid bestaat. De staatssecretaris verwacht hiermee het mkb voldoende gelegenheid te bieden om de financieringsstructuur aan te passen binnen de overgangsperiode om nadelige gevolgen van de reparatiemaatregelen te voorkomen.

Kamerbrief positie bedrijfsarts

De verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden ligt bij werkgevers en werknemers. De werkgever moet zich in een aantal situaties laten ondersteunen door een arbodienst of een bedrijfsarts, bijvoorbeeld bij de advisering over ziekteverzuimbegeleiding en bij re-integratie. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer een uiteenzetting gegeven over de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts.

Vanaf 1 juli 2018 moet iedere werkgever een basiscontract hebben met een arbodienst of een bedrijfsarts. Daarin wordt vastgelegd welke taken de bedrijfsarts vervult en hoe deze worden uitgevoerd. De staatssecretaris onderkent dat de bedrijfsarts in situaties terecht kan komen waarin werkgever en werknemer tegenover elkaar staan. Ook in die situaties moet de bedrijfsarts zijn onafhankelijkheid bewaren. Een zieke werknemer mag niet onder druk gezet worden om te beginnen met werken of in de WW terechtkomen zonder voldoende hersteld te zijn. In eerste instantie is de werkgever verantwoordelijk voor de begeleiding van een zieke werknemer. De bedrijfsarts is de adviseur van de werkgever en de werknemer. De staatssecretaris ziet het nieuwe basiscontract als een belangrijk instrument om de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts te versterken. Een arbodienst of bedrijfsarts hoeft niet altijd in te stemmen met datgene wat een werkgever vraagt.

Als een werknemer tegen zijn zin hersteld wordt verklaard door de bedrijfsarts, kan hij aan het UWV een deskundigenoordeel vragen. Tegen het deskundigenoordeel van het UWV kan beroep bij de rechter worden ingesteld.

Geen animo voor stapsgewijs omzetten van hypotheken

De Tweede Kamer heeft vorig jaar een motie aangenomen waarin de regering wordt gevraagd om in samenspraak met kredietverstrekkers mogelijk te maken dat hypotheken stapsgewijs worden omgezet in een vorm met lagere maandlasten. Dat zou moeten gebeuren door gebruik te maken van de mogelijkheid om ieder jaar een deel boetevrij af te lossen en dat deel over te sluiten. Op die manier zou oversluiten zonder vergoeding aan de kredietverstrekker mogelijk zijn. Wet- en regelgeving kennen geen belemmering voor stapsgewijs oversluiten.

Tijdens overleg met het Platform Hypotheken werd geconcludeerd dat de voordelen van stapsgewijs oversluiten niet opwegen tegen de nadelen. Dat geldt zowel voor stapsgewijs oversluiten bij de eigen kredietverstrekker als voor stapsgewijs oversluiten naar een andere kredietverstrekker. De vrees bestaat dat het stapsgewijs oversluiten een negatief effect zal hebben op het aanbod van lange rentevastperiodes en flexibele hypotheekvoorwaarden. Door stapsgewijs over te sluiten wordt de rentevastperiode eenzijdig en kosteloos opengebroken. Er bestaan andere laagdrempelige mogelijkheden om te profiteren van de huidige lage rente, zoals regulier oversluiten of rentemiddeling. Daarnaast ontstaat een complexe situatie wanneer er meerdere leningdelen zijn met hetzelfde onderpand bij meerdere kredietverstrekkers.

De minister van Financiën heeft aan de Tweede Kamer laten weten dat hij, gelet op de uitkomsten van het overleg, het niet opportuun vindt om aanbieders op te roepen om stapsgewijs oversluiten breed aan te bieden.