Ontslag op staande voet

Ontslag op staande voet is een ingrijpende maatregel met verstrekkende gevolgen voor de werknemer. Daarom vereist de wet dat er een dringende reden is waarom de arbeidsovereenkomst niet langer kan voortduren. Zelfs een slapend dienstverband kan door ontslag op staande voet worden beëindigd. Een slapend dienstverband doet zich voor wanneer een werknemer na twee jaar arbeidsongeschiktheid een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. De dienstbetrekking wordt niet automatisch verbroken na twee jaar arbeidsongeschiktheid.

Een werkneemster van een supermarkt was penningmeester van de personeelsvereniging. Die rol vervulde zij ook nog tijdens haar arbeidsongeschiktheid. Als penningmeester had de werkneemster toegang tot de bankrekening van de personeelsvereniging en de beschikking over de pinpas van de bankrekening. Nadat een nieuw bestuur was benoemd bleek dat er vrijwel geen geld op de rekening van de personeelsvereniging stond door een groot aantal niet verantwoorde opnamen en betalingen. De werkneemster werd wegens verduistering op staande voet ontslagen omdat zij geen sluitende verklaring kon geven voor deze betalingen. Tijdens een strafrechtelijk onderzoek werd verduistering aangetoond.

De kantonrechter liet het ontslag in stand omdat de door de werkgever als dringende reden aangevoerde verduistering vaststond. In hoger beroep heeft Hof Den Bosch de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Het verweer van de werkneemster dat verduistering in haar rol van penningmeester bij de personeelsvereniging haar rol van werkneemster niet raakt, gaat volgens het hof niet op. Alleen personeelsleden van de werkgever kunnen lid worden van de personeelsvereniging. De vereniging wordt gefinancierd uit het loon van het personeel. Het lidmaatschap van de vereniging eindigt van rechtswege bij einde van het dienstverband. De werkneemster heeft de taak van penningmeester alleen kunnen vervullen door haar dienstverband bij de supermarkt. Door de verduistering is het vertrouwen om het geld van het personeel te beheren beschaamd en daarmee ook het vertrouwen van de werkgever in de werkneemster.

Niet voldaan aan administratieve verplichtingen

Ondernemers zijn administratieplichtig. Dat houdt in dat zij een zodanige administratie van hun vermogenstoestand en van hun bedrijf moeten bijhouden dat daaruit op ieder moment hun rechten en verplichtingen en de voor de heffing van belasting van belang zijnde gegevens kunnen worden afgeleid. De administratie moet zeven jaar worden bewaard. Tot de administratie behoren ook de onderliggende stukken. De administratieve gegevens kunnen op een andere dan de originele gegevensdrager worden opgeslagen, mits de volledige gegevens beschikbaar blijven gedurende de bewaarperiode en zij binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt. De aard, omvang en complexiteit van een bedrijf zijn medebepalend voor de eisen die aan een administratie worden gesteld.

De inspecteur kan bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat een ondernemer niet aan zijn administratieve verplichtingen heeft voldaan. Tijdens een boekenonderzoek bij een horecaondernemer constateerde de Belastingdienst dat de administratie gebreken vertoonde. De Belastingdienst stelde de tekortkomingen vast in een informatiebeschikking. De rechtbank was van oordeel dat de beschikking terecht is gegeven. De ondernemer had niet aan zijn administratieve verplichtingen voldaan. Hoewel een groot deel van zijn omzet contant werd ontvangen was de kasadministratie niet controleerbaar. De detailgegevens van de kassa, pinafslagen, kladbriefjes en dergelijke had de ondernemer niet bewaard. Dergelijke primaire bescheiden vormen een wezenlijk deel van de administratie van een onderneming. Door deze niet te bewaren kon niet gecontroleerd worden of de gegevens juist en volledig waren overgenomen in het kasboek. De vereiste aansluiting tussen omzet in geld en goederen kon niet worden gemaakt. De Belastingdienst kon de juistheid en volledigheid van de omzet niet controleren.

Klok van uurwerkhersteller is reclame-uiting

De Gemeentewet staat toe dat gemeenten reclamebelasting heffen. Dat is een belasting ter zake van openbare aankondigingen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Een openbare aankondiging is een tot het publiek gerichte mededeling, die erop is gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd. Het begrip openbare aankondiging omvat elke tot het publiek gerichte mededeling van commerciële of ideële aard waarmee de aandacht wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap.

Een klok, die is bevestigd aan de gevel van de werkplaats van een uurwerkhersteller, is een dergelijke tot het publiek gerichte mededeling. De klok moet de aandacht vestigen op de dienstverlening van de uurwerkhersteller. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeente terecht reclamebelasting geheven. De vorm van de klok paste bij de bouwstijl van de werkplaats en was in dezelfde kleur geschilderd als de kozijnen en de deur van de werkplaats. De rechtbank vond met name de duidelijk kenbare visuele samenhang tussen de klok en de werkplaats van belang.

Vrachtwagenheffing

Het kabinet heeft ingestemd met de uitgangspunten voor een in te voeren vrachtwagenheffing. De heffing gaat gelden voor binnen- en buitenlands vrachtverkeer dat gebruik van de snelweg maakt. De opbrengst van de vrachtwagenheffing zal in overleg met de vervoerssector worden gebruikt voor verlaging van de motorrijtuigenbelasting op vrachtauto’s en voor innovatie en verduurzaming van het vrachtvervoer.

Landbouw- en bosbouwtrekkers, mobiele kranen en motorrijtuigen met beperkte snelheid en bussen worden uitgezonderd van de heffing. In overleg met regionale wegbeheerders zal per provincie bekeken worden of voor regionale en lokale wegen ook een heffing zal gelden. De heffing gaat niet gelden voor wegen waarop nu al tol wordt geheven of waarop tol is voorzien. De hoogte van het tarief moet nog worden vastgesteld. De feitelijke invoering van de heffing zal niet eerder dan in 2023 plaatsvinden.

Wetsvoorstel Arbeidsmarkt in balans

Bij de Tweede Kamer is het wetsvoorstel Arbeidsmarkt in balans ingediend. De doelstelling van het wetsvoorstel is verbetering van de balans tussen vaste en flexibele arbeidsovereenkomsten. Het kabinet wil dat bereiken door aanpassing van het ontslagrecht, van de ketenbepaling, van de transitievergoeding en van de premieheffing. Het is de bedoeling dat de wijzigingen op 1 januari 2020 in werking treden. De wet zal vijf jaar na de inwerkingtreding worden geëvalueerd.

Ketenbepaling
Doel van de ketenbepaling is werknemers na verloop van tijd zekerheid te bieden in de vorm van een vast contract. De ketenbepaling regelt wanneer elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van rechtswege overgaan in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op dit moment is dat het geval bij meer dan drie contracten of als opvolgende contracten een periode van meer dan twee jaar beslaan. De maximumtermijn wordt verlengd van twee naar drie jaar.

Ontslagrecht
Sinds de wijziging van het ontslagrecht in 2015 is wettelijk bepaald wat redelijke gronden voor ontslag zijn en welke ontslagroute bij welke ontslaggrond gevolgd moet worden. Nu wordt daar een cumulatiegrond van ontslagredenen aan toegevoegd voor gevallen waarin meerdere ontslaggronden ieder voor zich onvoldoende zijn om een ontslag te rechtvaardigen. De cumulatiegrond geldt niet voor verzoeken om ontbinding van de arbeidsovereenkomst die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn gedaan.

Proeftijd
De maximaal toegestane proeftijd voor contracten voor onbepaalde tijd wordt verlengd van twee naar vijf maanden. Voor arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van twee jaar of langer wordt de maximale proeftijd verlengd tot drie maanden. Deze verlengde proeftijden gelden alleen bij de eerste arbeidsovereenkomst tussen partijen. Bij een opvolgende arbeidsovereenkomst kan alleen een proeftijd worden overeengekomen als er andere vaardigheden of verantwoordelijkheden van de werknemer verlangd worden dan in de voorgaande arbeidsovereenkomst. De huidige regeling van de proeftijd blijft van toepassing op arbeidsovereenkomsten die voor de inwerkingtreding van deze wet tot stand zijn gekomen.

Oproepovereenkomsten
De werkgever moet straks de werknemer minstens vier dagen van tevoren oproepen voor werk. Doet hij dat later, dan hoeft de werknemer geen gehoor te geven aan de oproep. Trekt de werkgever de oproep binnen vier dagen voor aanvang van de werkzaamheden in of verandert hij de tijdstippen van de oproep, dan heeft de werknemer recht op loon over de periode waarvoor hij opgeroepen is. Bij cao kan een kortere termijn worden afgesproken, mits deze niet korter is dan 24 uur. De werkgever moet werknemers met een oproepcontract na een jaar een aanbod doen voor een vaste arbeidsomvang op basis van de gemiddelde arbeidsduur in de voorgaande twaalf maanden. De vaste arbeidsomvang hoeft niet gebaseerd te zijn op een aantal uren per week, maar mag een aantal uren per maand of per jaar omvatten.

Transitievergoeding
Voorgesteld wordt dat een werknemer vanaf het begin van zijn arbeidsovereenkomst bij ontslag recht op een transitievergoeding heeft. De huidige hogere opbouw van de transitievergoeding na tien jaar komt te vervallen. De transitievergoeding wordt berekend aan de hand van de feitelijke duur van de arbeidsovereenkomst. Per jaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd bedraagt de transitievergoeding een derde bruto maandsalaris. Voor de overige delen van het dienstverband wordt vergoeding naar rato berekend.
Er komt een compensatieregeling voor transitievergoedingen bij ontslag om bedrijfseconomische redenen, na langdurige ziekte of vanwege bedrijfsbeëindiging als gevolg van ziekte of pensionering van een kleine werkgever.
De criteria voor de tijdelijke overbruggingsregeling transitievergoeding worden verruimd. Op grond van de overbruggingsregeling telt diensttijd voor de maand mei 2013 niet mee bij de berekening van de transitievergoeding. Deze regeling loopt tot 1 januari 2020.

Payrolling
Payrollwerknemers krijgen recht op dezelfde arbeidsvoorwaarden die zouden gelden wanneer zij rechtstreeks in dienst zouden zijn bij de opdrachtgever. Dat geldt ook voor de secundaire arbeidsvoorwaarden, met uitzondering van pensioen. In plaats daarvan krijgen payrollwerknemers het recht op een adequate pensioenregeling. De verplichting voor de werkgever om een adequate pensioenregeling te treffen geldt niet als de opdrachtgever geen pensioenregeling heeft.

WW-premiedifferentiatie
Het kabinet wil het aangaan van vaste arbeidscontracten stimuleren door een lagere WW-premie en door een hogere premie te verbinden aan tijdelijke contracten. Het huidige systeem met sectorfondsen en per sectorfonds verschillende premies vervalt. De lage premie is van toepassing zolang niet meer dan 30% meeruren worden verloond boven de overeengekomen vaste arbeidsomvang. Bij overschrijding is met terugwerkende kracht de hoge premie van toepassing, tenzij sprake is van een voltijdscontract. De lage premie geldt ook voor contracten in de beroepsbegeleidende leerweg. Het is de bedoeling dat de aard van het contract op de loonstrook wordt vermeld.

Premiepercentages en maximumpremieloon 2019

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de premiepercentages en het maximumpremieloon voor 2019 vastgesteld.

De premieheffing voor de AOW bedraagt 17,9%; de premie voor de Anw 0,1%. Deze percentages veranderen niet ten opzichte van 2018. Het maximumpremieloon bedraagt in 2019 € 55.927. De premie voor het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) is vastgesteld op 3,6%. De premie voor het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) bedraagt 0,78%. De basispremie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) is vastgesteld op 6,46%, terwijl de opslag op de basispremie Aof voor de kinderopvangtoeslag 0,5% bedraagt.

In tegenstelling tot voorgaande jaren heeft de minister de premieloongrenzen voor tijdvakken korter dan het premiejaar en voor werknemers met recht op vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of daarmee overeenkomende aanspraken niet vastgesteld. Deze bedragen worden door herleiding bepaald en zullen door de Belastingdienst worden bekendgemaakt. Ook wordt in deze regeling geen percentage vastgesteld voor de vervangende sectorpremie. Met ingang van het premiejaar 2019 wordt door het UWV een gemiddeld premiepercentage vastgesteld voor de premie die ten gunste komt van de sectorfondsen. Dit gemiddelde premiepercentage komt in de plaats van de vervangende sectorpremie en wordt als vervangende premie geheven over uitkeringen uit sociale verzekeringen.

Hoogte eigenwoningforfait 2019 bekend

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer de hoogte van het eigenwoningforfait voor 2019 meegedeeld.

Het eigenwoningforfait zal in 2019 0,65% van de eigenwoningwaarde bedragen. De eigenwoningwaarde is de WOZ-waarde van het voorgaande jaar. In 2018 is het eigenwoningforfait 0,70%. De aanpassing is een gevolg van de stijging van het indexcijfer van de woninghuren en de stijging van de woningwaarden. Het eigenwoningforfait wordt na indexering naar beneden afgerond op een veelvoud van 0,05%.

Tabelcorrectiefactor en arbeidskorting 2019

De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief aan de Tweede Kamer de hoogte van de tabelcorrectiefactor en de arbeidskorting voor 2019 meegedeeld.

Tabelcorrectiefactor
De tabelcorrectiefactor, dat is de indexatiefactor voor diverse bedragen in de belastingwet- en regelgeving, bedraagt voor 2019 1,012.

Abeidskorting
De arbeidskorting wordt jaarlijks aangepast aan de hand van de tabelcorrectiefactor en aan de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon per 1 januari van het lopende jaar ten opzichte van 1 januari van het volgende jaar. Dat heeft tot gevolg dat de arbeidskorting er in 2019 als volgt uitziet. Tot een inkomen van € 9.694 per jaar bedraagt de arbeidskorting 1,754% van het arbeidsinkomen, met een maximum van € 170. Bij een arbeidsinkomen vanaf € 9.694 per jaar bedraagt de arbeidskorting € 170 plus 28,712% van het arbeidsinkomen boven € 9.694. De arbeidskorting kent een maximum van € 3.399. Dit maximum wordt bereikt bij een arbeidsinkomen van € 20.940. Boven een inkomen van € 34.060 per jaar wordt de berekende arbeidskorting verminderd met 6,0% van het meerdere inkomen. De arbeidskorting bedraagt nihil bij een arbeidsinkomen vanaf € 90.710.

Tweede Kamer neemt Belastingplan 2019 aan

De Tweede Kamer heeft de wetsvoorstellen, die gezamenlijk het Belastingplan 2019 vormen, aangenomen. Het gaat om de wetsvoorstellen Belastingplan 2019, Overige Fiscale Maatregelen 2019, Fiscale Vergroeningsmaatregelen 2019, Bedrijfsleven 2019, Implementatie EU-richtlijn ATAD1, Modernisering Kleineondernemersregeling in de omzetbelasting, Implementatie artikel 1 Richtlijn Elektronische Handel in de omzetbelasting en de aanpassing van de kansspelbelasting voor sportweddenschappen. Via amendementen zijn enkele wijzigingen aangebracht in de oorspronkelijke wetsvoorstellen Belastingplan 2019, Fiscale Vergroeningsmaatregelen 2019 en Implementatie EU-richtlijn ATAD1.

Zo is een wijziging aangebracht in de Gemeentewet die gemeenten de mogelijkheid geeft om voor sportaccommodaties, dorpshuizen en andere sociaal belang behartigende instellingen het tarief voor woningen te hanteren in de onroerendezaakbelasting in plaats van het tarief voor niet-woningen. Het tarief voor woningen is meestal lager dan het tarief voor niet-woningen.

In de afvalstoffenbelasting is een wijziging aangebracht in de vorm van een vrijstelling voor de afgifte van afzonderlijk aangeboden asbest en asbesthoudende producten afkomstig van asbestdaken. Tegelijk wordt het tarief van de afvalstoffenbelasting verhoogd met 73 cent van € 31,39 naar € 32,12 per 1.000 kilogram afvalstoffen.

Voor de controlled foreign company-maatregel ter beperking van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting is sprake van een gecontroleerd lichaam als dat lichaam is gevestigd in een laagbelastende staat. Van een laagbelastende staat is onder andere sprake bij een winstbelasting van minimaal 9%. Dat tarief is bij amendement gewijzigd; het wetsvoorstel ging uit van een tarief van 7%.

Optimaliseer uw giftenaftrek

De giften, die u doet aan het algemeen nut beogende instellingen en aan steunstichtingen SBBI, zijn aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het totaal van de giften moet de aftrekdrempel van 1% van het verzamelinkomen van u en uw fiscale partner samen overschrijden. De drempel bedraagt minimaal € 60. De totale aftrek bedraagt maximaal 10% van het gezamenlijke verzamelinkomen. Omdat de aftrekdrempel beperkend werkt kan het raadzaam zijn uw geplande giften voor twee jaar te bundelen en in één jaar te doen.

Als u van plan bent gedurende een reeks van jaren grotere giften te doen aan dezelfde instelling, is het voordeliger om dit te doen in de vorm van een periodieke uitkering. De aftrekdrempel geldt namelijk niet voor periodieke giften met een looptijd van ten minste vijf jaar. Wel moet er een schenkingsakte zijn opgemaakt.

Giften aan culturele instellingen
Doet u aftrekbare giften aan culturele instellingen, dan geldt een vermenigvuldigingsfactor. Daardoor valt de aftrekpost groter uit. De aftrekpost is gelijk aan de gift, vermenigvuldigd met 1,25.