Terugbetaling ontvangen vergoeding geen negatief resultaat

Hof Den Haag is van oordeel dat een terugbetaling van een ontvangen vergoeding voor het verrichten van kinderopvang binnen familieverhoudingen niet als negatief resultaat uit overige werkzaamheden kan worden aangemerkt. De Hoge Raad deelt de opvatting van het hof.

Het betrof een vader, die tegen betaling de opvang van de kinderen van zijn dochter verzorgde. De dochter had met een gastouderbureau en met haar vader een overeenkomst voor kinderopvang gesloten. De belastingdienst/Toeslagen betaalde aan de dochter een voorschot kinderopvangtoeslag voor het jaar 2009. De dochter betaalde het ontvangen bedrag grotendeels aan haar vader als vergoeding voor de kinderopvang. De vader verwerkte de ontvangen bedragen in zijn aangifte als resultaat uit overige werkzaamheden. Nadat de Raad van State oordeelde dat de dochter geen recht had op het voorschot kinderopvangtoeslag, betaalde zij het ontvangen bedrag terug aan de Belastingdienst/Toeslagen. Haar vader betaalde haar een gelijk bedrag  terug. In zijn aangifte nam vader dat bedrag op als als negatief resultaat uit overige werkzaamheden. De Belastingdienst accepteerde de aftrekpost niet.

Naar het oordeel van het hof was dat terecht. De betaling vloeide voort uit de familierelatie tussen vader en dochter, aangezien de vader niet bereid zou zijn om aan een ander dan een familielid de ontvangen vergoeding terug te betalen. De betaling kon daarom niet als negatief resultaat worden aangemerkt.

Volgens de Hoge Raad is het juridische uitgangspunt van het hof juist. De aftrekbaarheid van een betaling zoals die door de vader aan zijn dochter is gedaan, is afhankelijk van de oorzaak van die betaling. Als die oorzaak ligt in de familieverhoudingen kan geen aftrek plaatsvinden. Het oordeel, dat de betaling haar oorzaak vond in de familieverhoudingen, is van feitelijke aard en in cassatie niet aantastbaar omdat het niet onbegrijpelijk is.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2020513, | 02-04-2020

Vakantiedagen en coronacrisis

Door de coronacrisis leven er veel vragen over vakantiedagen. Kan de werkgever een werknemer verplichten om vakantie op te nemen of mag de werkgever een werknemer vragen vakantie op te nemen?

Recht op verlof

In het Burgerlijk Wetboek is geregeld dat een werknemer recht heeft op vier keer het aantal uren dat hij per week werkt aan verlof. Gaan we uit van voltijds werken gedurende vijf dagen per week dan heeft de werknemer na een jaar werk dus recht op vijf maal vier is twintig dagen verlof. Dat zijn de wettelijke verlofdagen. Veel werkgevers bieden hun werknemers meer vakantiedagen dan het wettelijke minimumaantal. Deze extra dagen zijn de bovenwettelijke verlofdagen. Afspraken over bovenwettelijke verlofdagen staan in de arbeidsovereenkomst of zijn geregeld in de voor het bedrijf van de werkgever geldende cao.

Vakantiedagen tijdens coronacrisis

De werkgever kan een werknemer niet verplichten om vakantiedagen op te nemen, tenzij in de arbeidsovereenkomst of in de cao is opgenomen dat de werkgever daartoe bevoegd is. Controleer dus eerst de arbeidsovereenkomst of de cao voordat u een werknemer met verlof stuurt. 

Wel kan de werkgever de werknemer vragen om verlof op te nemen. De werknemer zal daar uitdrukkelijk mee moeten instemmen.

Wat te doen met aangevraagd verlof?

Een andere vraag is wat de werkgever moet doen met aangevraagd en verleend verlof van een werknemer. Door de coronacrisis is reizen naar een aantal bestemmingen niet mogelijk. Het kan zijn dat een geboekte reis van een werknemer niet doorgaat. De werknemer heeft in die situatie wellicht geen belang bij het opnemen van verlofdagen en vraagt de werkgever of hij kan komen werken. Voor deze situatie is in de wet niets geregeld. Het is aan de werkgever om te bepalen hoe hij met een dergelijk verzoek omgaat.

Bron: Overig | publicatie | 02-04-2020

Bijzonder uitstel belastingbetaling

Ondernemers die door de coronacrisis in liquiditeitsproblemen zijn gekomen of dreigen te komen, kunnen de Belastingdienst vragen om bijzonder uitstel van betaling. Bijzonder uitstel is mogelijk voor aanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonheffingen.

Omzetbelasting en loonheffingen worden gewoonlijk betaald bij het doen van aangifte. Worden de verschuldigde omzetbelasting en/of loonheffingen niet of niet op tijd betaald, dan wordt een naheffingsaanslag opgelegd met een verzuimboete wegens te late betaling.

Aanvraag

De aanvraag voor bijzonder uitstel dient schriftelijk te gebeuren in een brief aan de Belastingdienst, postbus 100 te 6400 AC Heerlen. In de brief vraagt de ondernemer om uitstel van betaling met als reden dat hij door de uitbraak van het coronavirus in betalingsproblemen is gekomen. De Belastingdienst heeft inmiddels op de website een formulier ‘Verzoek bijzonder uitstel van betaling voor 3 maanden’ geplaatst. Met dat formulier kan een ondernemer in een keer uitstel aanvragen voor alle aanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonheffingen. 

De Belastingdienst verleent automatisch drie maanden uitstel van betaling. Opgelegde boetes voor het niet op tijd betalen van omzetbelasting of loonheffingen hoeven niet te worden betaald. Na de ontvangst van het verzoek om bijzonder uitstel stopt de Belastingdienst eventuele reeds getroffen invorderingsmaatregelen. 

Let op! Ongeacht de rechtsvorm van de onderneming moet bij het gebruik van het onlineformulier worden ingelogd met DigiD. Wanneer het gaat om een rechtspersoon moet een werknemer of de adviseur inloggen met zijn eigen DigiD. De DigiD is alleen nodig om in te loggen en wordt niet opgeslagen.

Verklaring derde-deskundige

Normaliter moet bij een verzoek om bijzonder uitstel van betaling een verklaring van een derde-deskundige, bijvoorbeeld een accountant, worden gevoegd. Dat is nu niet nodig, tenzij het verzoek een langere periode betreft dan drie maanden. In dat geval zal de Belastingdienst om aanvullende informatie vragen, waaronder mogelijk een verklaring van een derde-deskundige.

Aangifte

De Belastingdienst vraagt ondernemers om op tijd aangifte te doen en te wachten tot er een aanslag is opgelegd voordat zij bijzonder uitstel van betaling aanvragen. Zonder aanslag is bijzonder uitstel niet mogelijk. 

Bron: Belastingdienst | publicatie | 02-04-2020

Exportkredietverzekering verruimd per 26 maart

Ondernemers, die exporteren, kunnen het risico dat hun buitenlandse afnemer niet betaalt afdekken door een kredietverzekering. Dergelijke verzekeringen worden aangeboden door particuliere verzekeraars. De Nederlandse overheid biedt een exportkredietverzekering aan voor risico’s die particuliere verzekeraars niet willen of kunnen verzekeren. Het gaat dan om grote bedragen, lange doorlooptijden of een minder stabiele situatie in het bestemmingsland van de goederen. Atradius Dutch State Business voert de exportkredietverzekering van de Nederlandse overheid uit.

Voorwaarden

Voor de exportkredietverzekering geldt een aantal eisen. De belangrijkste zijn:

  • De onderneming, die de verzekering aanvraagt, is gevestigd in Nederland.
  • De onderneming exporteert kapitaalgoederen of gerelateerde diensten vanuit Nederland, of neemt bouwprojecten aan in het buitenland.
  • De verzekering wordt afgesloten vóórdat de betaling is gedaan.
  • Het risico is niet te verzekeren bij een particuliere verzekeraar. 

Coronacrisis: steunpakket voor export

In verband met de coronacrisis zijn de mogelijkheden voor exportkredieten met ingang van 26 maart 2020 verruimd. Bedrijven kunnen daardoor meer risico’s afdekken met staatsgarantie. Ook kortlopende exportkredietverzekeringen krijgen dekking, er zijn meer mogelijkheden voor binnenlandse dekking en het landenbeleid is flexibeler.

Steunpakket

Het steunpakket is tijdelijk en wordt aangeboden tot het einde van dit jaar. Het pakket omvat de volgende maatregelen:

  • Ook kortlopende exportkredieten kunnen worden verzekerd.
  • Indirecte exporttransacties kunnen worden verzekerd.
  • Het landenbeleid en de landenplafonds zijn verruimd om exporteurs meer mogelijkheden te geven om transacties aan te brengen.
  • Exportkredietgaranties op bestaande leningen zijn mogelijk.
  • Het gedekte percentage op contragaranties en werkkapitaaldekkingen is verhoogd.
  • Het aanbetalingsvereiste van 5% bij het aangaan van een contract is vervallen.
  • Invoering van een versneld goedkeuringsproces voor spoedeisende zaken.
  • De mogelijkheid om werkkapitaal te verstrekken onder het Dutch Trade & Investment Fund als de bank geen of onvoldoende krediet kan verstrekken tijdens de uitvoering van een exporttransactie.
Bron: Ministerie van Financiƫn | publicatie | 02-04-2020

NOW-regeling op 6 april van start

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW) bekendgemaakt. De NOW is bedoeld voor werkgevers die geconfronteerd worden met een omzetdaling van ten minste 20% over de maanden maart tot en met mei. Uitgangspunt is dat omzetdalingen van die omvang het gevolg zijn van buitengewone omstandigheden die buiten het normale ondernemersrisico vallen. De werkgever hoeft niet aan te tonen in welke mate de buitengewone omstandigheden bijdragen aan de omzetdaling.

Inhoud NOW-regeling

De NOW is een loonkostensubsidie voor werknemers, die verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen. De regeling geldt dus niet voor de dga. Wel geldt de regeling voor werknemers met een flexibel contract als zij in dienst blijven en loon ontvangen van de werkgever. De NOW is ook van toepassing op de loonkosten van werknemers waarvoor de werkgever geen loondoorbetalingsplicht heeft, zoals werknemers met een nulurencontract.

Hoogte subsidie gerelateerd aan omzetdaling

De subsidie bedraagt maximaal 90% van de loonsom over de maanden maart tot en met mei 2020. Voor de loonsom is het socialeverzekeringsloon uit tegenwoordige dienstbetrekkingen uitgangspunt. Werkgeverspremies, werknemersbijdragen aan pensioen en de opbouw van vakantiebijslag worden ook gecompenseerd. Er geldt een standaard opslag voor werkgeverslasten van 30%. Het loon per werknemer is maximaal twee keer het maximumdagloon per maand. Dat betekent dat loon boven € 9.538 per maand niet voor subsidie in aanmerking komt. De maximale subsidie wordt uitbetaald bij een omzetdaling van 100%. Is de omzetdaling lager, dan wordt de subsidie evenredig lager vastgesteld. De omzetdaling wordt bepaald aan de hand van de jaaromzet 2019 gedeeld door vier. Voor een werkgever, die op 1 januari 2019 nog niet bestond, geldt een afwijkende omzetbepaling.

Als de werkgever verwacht dat de daling van de omzet door de coronacrisis pas later zichtbaar wordt, kan hij de meetperiode voor de omzetvergelijking één of twee maanden later laten aanvangen.

Formule hoogte subsidie

De hoogte van de subsidie wordt bepaald aan de hand van de volgende formule: A*B*3*1,3*0,9. In deze formule staat A voor het percentage omzetdaling en B voor de loonsom over het tijdvak januari. De vermenigvuldigingsfactor 3 hangt samen met het aantal maanden waarvoor subsidie wordt verleend. De factor 1,3 betreft de opslag voor werkgeverspremies en de factor 0,9 de maximale bijdrage van 90%. 

Aanvraag

Bij de aanvraag geeft de werkgever de verwachte omzet voor de gekozen meetperiode op en vergelijkt deze met een kwart van de omzet van 2019. De werkgever berekent het omzetverlies in procenten en vult dat percentage op het aanvraagformulier in.

Werkgevers met meerdere loonheffingennummers moeten per loonheffingennummer een aanvraag indienen om voor de gehele loonsom in aanmerking te komen voor subsidie. De werkgever dient wel de omzetdaling op te geven die hij voor de gehele onderneming verwacht. 

Voorschot

Het UWV betaalt een voorschot uit van 80% van de berekende subsidie, nadat positief op de aanvraag is beslist. Gegevens over de loonsom baseert het UWV op de polisadministratie over de maand januari 2020. Het UWV heeft 13 weken de tijd om te beslissen op een aanvraag. De betaling van het voorschot vindt plaats in drie termijnen. Het streven is om de  eerste termijn binnen twee tot vier weken te betalen.

Definitieve vaststelling achteraf

Binnen 24 weken na afloop van de periode waarover de NOW is toegekend dient de werkgever vaststelling van de subsidie aan te vragen. Daarbij is een accountantsverklaring nodig. Binnen 22 weken na ontvangst van deze aanvraag stelt het UWV de definitieve subsidie vast. Bij de definitieve vaststelling van de subsidie wordt rekening gehouden met een eventueel opgetreden daling van de loonsom over de maanden maart tot en met mei ten opzichte van de loonsom over de maand januari.

Voorwaarden

De werkgever neemt een inspanningsverplichting op zich om de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden. Een daling van de loonsom heeft gevolgen voor de hoogte van de uiteindelijke subsidie. Daarnaast zal de werkgever gedurende de periode waarvoor subsidie ontvangen is geen ontslagaanvragen doen wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Deze voorwaarde geldt niet voor ontslagaanvragen die bij het UWV zijn ingediend in de periode van 1 maart tot en met 17 maart 2020. 

Start aanvraagperiode

Op vrijdag 3 april 2020 zal het UWV vaststellen of de regeling vanaf 6 april 2020 kan worden uitgevoerd. In de tekst van de regeling is opgenomen dat de aanvraagperiode loopt van 14 april tot en met 31 mei 2020 of zoveel eerder als mogelijk is.

Verlenging

De mogelijkheid bestaat dat de regeling met drie maanden verlengd wordt. Daarover zal voor 1 juni 2020 besloten worden.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 2020-0000046793 | 01-04-2020

Noodloket voor ondernemers is geopend

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft de eerder aangekondigde tegemoetkomingsregeling voor ondernemers, het zogenaamde noodloket, opengesteld. Dat betekent dat ondernemers aanvragen voor de eenmalige tegemoetkoming van € 4.000 nu kunnen indienen. De tegemoetkoming is een gift en bedoeld om de vaste lasten van de onderneming te betalen. De tegemoetkoming geldt per onderneming, dus niet per vestiging indien de onderneming over meerdere vestigingen beschikt. 

De aanvraag moet online gedaan worden op de website de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, www.rvo.nl/tegemoetkomingcorona. De regeling geldt niet voor alle ondernemers, maar voor specifieke branches, op basis van de SBI-code. Het gaat met name om horecagelegenheden, reisbureaus en -organisaties, haar- en schoonheidsverzorging, sportclubs en private culturele instellingen. De volledige lijst met SBI-codes van ondernemingen die kwalificeren voor de regeling vindt u hier. Aanvragen is mogelijk tot en met vrijdag 26 juni 2020. 

Voorwaarden

De onderneming moet, om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming, voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • De onderneming is gevestigd in Nederland en voor 15 maart 2020 opgericht en ingeschreven in het Handelsregister.
  • Het personeelsbestand is niet groter dan 250 personen.
  • De hoofdactiviteit van de onderneming valt onder een van de aangewezen SBI-codes.
  • Het vestigingsadres van de onderneming is niet het privéadres van de eigenaar of eigenaren. Deze voorwaarde geldt niet voor horecaondernemingen met SBI-code 56.10.1, 56.10.2 en 56.30.
  • Bij de aanvraag moet een bankrekeningnummer worden opgegeven op naam van de onderneming.
  • De onderneming is niet failliet en heeft geen verzoek tot surséance van betaling ingediend bij de rechtbank.
  • De onderneming verwacht tussen 16 maart en 15 juni 2020 een omzetverlies van ten minste € 4.000. De onderneming heeft in deze periode naar verwachting ten minste € 4.000 aan vaste lasten, rekening houdend met andere door de overheid beschikbaar gestelde steunmaatregelen.
  • De onderneming heeft over het huidige en de voorgaande twee belastingjaren niet meer dan € 200.000 aan overheidssteun ontvangen.
  • De onderneming is geen overheidsbedrijf.

De uitbetaling vindt zo snel mogelijk na het indienen van de aanvraag plaats.

N.B. Door een storing op de website van rvo.nl is aanvragen op dit moment niet mogelijk.

De aanvragen zullen worden gecontroleerd om fraude te voorkomen. Indien bij controle blijkt dat de tegemoetkoming ten onrechte is uitbetaald, dan zal worden teruggevorderd. Dit kan tot vijf jaar na de uitbetaling.

Bron: Ministerie van Economische Zaken | publicatie | 28-03-2020

Tijdelijke noodregeling zelfstandige ondernemers van start

Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandige Ondernemers

De Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandige Ondernemers (Tozo) gaat komende week van start. De regeling is bedoeld voor zelfstandige ondernemers en zzp'ers. De regeling wordt uitgevoerd door gemeenten en geldt vooralsnog tot 1 juni. De Tozo bestaat uit twee voorzieningen: inkomensondersteuning en een lening voor bedrijfskapitaal.

Inkomensondersteuning

Om voor inkomensondersteuning in aanmerking te komen moet de zelfstandige verklaren dat zijn inkomen als gevolg van de coronacrisis de komende drie maanden naar verwachting onder het sociaal minimum zal liggen. Het inkomen wordt dan gedurende maximaal drie maanden aangevuld. Voor gehuwden en samenwonenden wordt het inkomen aangevuld tot een bedrag van € 1.500 netto. Voor alleenstaanden wordt het inkomen aangevuld tot € 1.050 netto. De inkomensondersteuning is een gift. Dat betekent dat deze niet hoeft te worden terugbetaald. Zelfstandigen, die meer verdienen dan de bijstandsnorm, krijgen geen aanvulling. 

Lening

Zelfstandigen, die door de coronacrisis in liquiditeitsproblemen komen, kunnen een lening voor bedrijfskapitaal aanvragen tot een maximum van € 10.157. De rente op deze lening bedraagt 2% per jaar. De maximale looptijd van de lening is drie jaar. Tot januari 2021 hoeft niet te worden afgelost. De lening kan binnen vier weken worden verstrekt.

Aanvragen

Aanvragen voor de Tozo worden zo veel mogelijk digitaal gedaan en binnen vier weken afgerond. Er wordt geen onderzoek gedaan naar de levensvatbaarheid van het bedrijf. Privévermogen en inkomen van de partner hebben geen invloed op de tegemoetkoming.

Voorwaarden

Voor deze regeling gelden de volgende voorwaarden:

  1. De ondernemer is in Nederland gevestigd en werkt hoofdzakelijk in Nederland.
  2. De ondernemer voldoet aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek. Dat betekent dat hij in het afgelopen jaar minimaal 1.225 uur als zelfstandige heeft gewerkt. Voor ondernemers, die nog geen jaar zelfstandig zijn, geldt het urencriterium naar rato voor het aantal maanden dat als zelfstandige is gewerkt. 
  3. De ondernemer is voor 17 maart 2020 om 18.45 uur ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

Bij fraude vorderen gemeenten de toegekende bijstand terug en zullen zij een boete opleggen.

Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid

De Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW), de vervanger van de regeling werktijdverkorting, is naar verwachting over enkele dagen gereed. Zodra over de NOW meer bekend is, zullen wij daarover berichten. 

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | publicatie | 28-03-2020

Recht op aftrek voorbelasting advocaatkosten procedure dga

Een ondernemer heeft recht op aftrek van de hem in rekening gebrachte omzetbelasting als er een rechtstreeks verband bestaat tussen de afgenomen goederen of diensten en door de ondernemer verrichte of te verrichten met omzetbelasting belaste prestaties. Ontbreekt een dergelijk verband, dan heeft de ondernemer recht op aftrek van voorbelasting wanneer de kosten voor de aan hem verrichte leveringen of diensten deel uitmaken van zijn algemene kosten en deze kosten zijn opgenomen in de prijs van door hem geleverde goederen of verrichte diensten. Dergelijke kosten houden dan rechtstreeks en onmiddellijk verband met de algehele economische activiteit van de ondernemer.

Het vereiste rechtstreekse en onmiddellijke verband met de economische activiteit is aanwezig als de door een ondernemer verworven goederen of diensten noodzakelijk zijn voor zijn bedrijfsvoering en hij zonder die diensten zijn economische activiteit niet zou kunnen uitoefenen of voortzetten.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat een bv geen recht had op aftrek van de op facturen van een advocatenkantoor vermelde  omzetbelasting. Het advocatenkantoor had de dga van de bv in een strafzaak begeleid. De strafzaak betrof de mogelijke betrokkenheid van de dga in zijn rol als dga van een andere bv bij enkele faillissementen. De bv zelf was op geen enkele wijze betrokken bij de faillissementen of bij de strafzaak. Volgens het hof ontbrak een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de diensten van het advocatenkantoor en de economische activiteiten van de bv. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd. Het oordeel van het hof berust op een onjuiste rechtsopvatting of het is onvoldoende gemotiveerd. Het hof had moeten reageren op de stelling van de bv dat zij na de aanvang van de strafzaak vanwege de beschadigde reputatie van haar dga geen opdrachten meer verkreeg en dat zij pas na diens vrijspraak haar ondernemingsactiviteiten heeft kunnen voortzetten.

Volgens de Hoge Raad is niet uit te sluiten dat de behoeften van de onderneming van de bv het afnemen van de advocaatdiensten noodzakelijk maakten, omdat zij geen andere reële mogelijkheden had om het voortbestaan van haar economische activiteit veilig te stellen. In dat geval moet worden aangenomen dat de kosten van de advocaat rechtstreeks en onmiddellijk verband hielden met de gehele economische activiteit van de bv, ook al had de dga ook persoonlijk baat bij de diensten van de advocaat.

Voor het hof was verder in geschil of de aftrek van voorbelasting in dit geval werd verhinderd door het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (BUA). Dit besluit sluit de aftrek van omzetbelasting uit voor zover de goederen of de diensten worden gebezigd voor persoonlijke doeleinden van het personeel. Onder dergelijke diensten valt in beginsel de rechtsbijstand bij strafrechtelijke vervolging van een eigen werknemer.

Deze uitsluiting van aftrek is echter niet van toepassing indien bijzondere omstandigheden de werkgever dwingen tot het afnemen van de diensten. Dat doet zich voor indien de uitgaven voor die diensten primair worden gedaan in het belang van de onderneming en het persoonlijke voordeel van de werknemer voor de werkgever van ondergeschikt belang is.

Indien na verwijzing komt vast te staan dat het voor de onderneming van de bv noodzakelijk was om de diensten van de advocaat af te nemen, moet er volgens de Hoge Raad van worden uitgegaan dat bijzondere omstandigheden de bv hebben gedwongen tot het afnemen van die diensten.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2020481, 18/01184 | 26-03-2020

Aanslag opgelegd tijdens boekenonderzoek: navordering niet toegestaan

De Belastingdienst kan, wanneer een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of op een te laag bedrag is vastgesteld, de te weinig geheven belasting navorderen. Daartoe is een nieuw feit vereist. Een feit, dat de inspecteur bekend was of had kunnen zijn, levert geen grond voor navordering op, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

Een procedure voor de rechtbank had betrekking op een navorderingsaanslag. Niet in geschil was dat de inspecteur geen nieuw feit had dat navordering rechtvaardigde. De inspecteur had de oorspronkelijke aanslag opgelegd conform de aangifte terwijl er een boekenonderzoek liep naar aanleiding van een vastgoedtransactie van de belastingplichtige met zijn bv. De rechtbank vond kwade trouw van de belastingplichtige niet aannemelijk gemaakt.

Voor kwade trouw moet worden gekeken naar de gedragingen bij het doen van de aangifte. Er waren geen aanwijzingen dat de belastingplichtige de inspecteur opzettelijk op het verkeerde been heeft willen zetten bij het doen van de aangifte. In een begeleidende brief bij de de aangifte heeft de belastingplichtige een voorbehoud gemaakt voor eventuele correcties voortvloeiend uit het lopende boekenonderzoek.

De aangifte was in het systeem van de Belastingdienst geblokkeerd. Bij een behoorlijke taakvervulling had de inspecteur bij de behandeling van de aangifte een nader onderzoek moeten instellen naar de gegevens van het lopende boekenonderzoek. Het achterwege blijven van dat onderzoek merkte de rechtbank aan als een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten. Dat is een beoordelingsfout die niet, zoals een automatiserings-, schrijf- of typefout door navordering kan worden hersteld.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBZWB2020922, BRE 17/5662 | 26-03-2020

Banken verlenen uitstel van betaling

Vanwege de impact van het coronavirus verlenen de grote Nederlandse banken aan zakelijke klanten met een lopend krediet met een uitstaand bedrag tot € 2,5 miljoen uitstel van betaling. Bedrijven krijgen automatisch zes maanden uitstel van betaling voor de rente, aflossing en kosten van hun lopende zakelijke krediet. Dat betekent dat in de maanden april tot en met september geen betalingen voor aflossing en dergelijke zullen worden geïncasseerd. Bedrijven die de rente, aflossing en kosten per kwartaal achteraf betalen krijgen automatisch uitstel daarvoor over het eerste kwartaal van 2020.

De uitgestelde rente, aflossingen en kosten van een rekening-courantkrediet worden in december 2021 door de bank geïncasseerd. Over de uitgestelde bedragen berekent de bank vanaf oktober 2020 rente. De uitgestelde rente, aflossingen en kosten van een zakelijke lening moeten uiterlijk aan het einde van de looptijd in een keer worden terugbetaald. Vanaf oktober wordt over de uitgestelde bedragen rente berekend.

Dat betekent dat bedrijven aan het einde van de regeling voldoende geld op hun bankrekening moeten hebben staan om de uitgestelde bedragen in één keer te kunnen betalen. Als dat niet lukt kan de bank op dat moment extra rente of kosten in rekening brengen. 

Het uitstel is bedoeld om negatieve effecten op de liquiditeit van bedrijven door de coronacrisis tegen te gaan. Bedrijven die geen uitstel van betaling nodig hebben, kunnen afzien van deze regeling. Zij moeten dat zelf melden bij hun bank.

De regeling geldt niet voor zzp’ers. De banken zoeken in overleg met de overheid naar maatregelen voor deze groep.

Voor grootzakelijke klanten en voor bedrijven met een krediet van meer dan € 2,5 miljoen worden oplossingen op maat gezocht.

Bron: Overig | publicatie | 20-03-2020